Lingua Libre als hulp bij Franse uitspraak

Lingua Libre is een website van Wikimédia France en helpt bij de uitspraak van woorden.

Lingua Libre, waartoe dient het?

Weet je hoe je in het Frans L’Haÿ-les-Roses of Moon-sur-Elle uitspreekt? Antwoord: /laj lɛ ʁoz/ en /mɔ̃ syʁ‿ɛl/. Maar misschien kun je het internationale fonetische alfabet niet lezen? Geen erg, daarom is er Lingua Libre. Met deze tool kun je een lijst woorden importeren die je kunt opnemen, ze vervolgens een voor een uitspreken (de software zorgt ervoor dat er naar het volgende woord wordt gegaan zodra er een pauze volgt) en zodra de opname klaar is, worden alle bestanden automatisch naar Wikimedia Commons verzonden, waar ze zo veel mogelijk worden hergebruikt. Via de Lingua Libre Bot kunnen gebruikers automatisch nieuwe uitspraken toevoegen. De bot is ook actief op Wikidata om deze uitspraken toe te voegen aan de lexicografische gegevens.

(meer…)

Recensie: The Universal Translator

Er worden op dit moment naar schatting zo’n 6500 talen gesproken op onze wereld. Maar wist je dat er ook talloze kunstmatige talen bestaan?

Iedereen kent uiteraard wel Esperanto, en zeker ook het Klingon uit Star Trek of de elfentaal uit Lord of the Rings. Maar naast deze twee zijn er zeker nog zo’n 137 kunstmatige talen. En achter elk van die talen zit een boeiend verhaal.

Al die verhalen vind je in het dit jaar verschenen The Universal Translator van Yens Wahlgren, een Zweedse xenosociolinguïst en auteur die werkt aan de universiteit van Lund.

(meer…)

Waarom oude beschavingen doorgaans geen woord hadden voor blauw

In een oud Zen-verhaal discussiëren twee monniken over het feit of een vlag wappert dan wel de wind waait. Hun leraar vindt hen allebei dom en zegt “Het is je geest die zich beweegt”. De eeuwenoude paradox toont het punt dat Zen-meesters — en later ook filosofen, psychologen en neurowetenschappers — op een of ander tijdstip hebben benadrukt: de menselijke ervaring vindt plaats in de geest, maar we delen werkelijkheid via taal en cultuur, en deze bepalen op hun beurt hoe we onze ervaring zien.

Dergelijke waarnemingen brengen ons tot een andere paradoxale vraag: als een taal geen woord heeft voor iets als de kleur blauw, kan dit dan bestaan in de geest van de spreker? We kunnen alvast het idee vergeten dat er ergens in de wereld een blauwe kleur is. Kleur is het resultaat van de samenwerking tussen licht, het oog, de oogzenuw en de visuele cortex. En toch beweert Maria Michela Sassi, professor oude filosofie aan de universiteit van Pisa, dat “elke cultuur zijn eigen manier heeft om kleuren te benoemen en in te delen”.

Het bekendste voorbeeld komt van de oude Grieken. Al sinds de 18de eeuw wijzen wetenschappers erop dat Homerus in de duizenden woorden van de Ilias en Odysseus niet één keer iets — zee, hemel, kies maar — als blauw beschrijft. En volgens Sassi waren het niet alleen de Grieken die geen blauw zagen, of toch niet zoals wij:

Er is een specifieke Griekse kleurcultuur, net zoals er een Egyptische, een Indiase, een Europese enz. is. Elke cultuur uit zich met een woordenschat met zijn eigen eigenheid, die niet alleen kan worden gemeten volgens de wetenschappelijke maatstaf van het model van Newton.

Ooit dacht men dat culturele kleurverschillen te wijten waren aan de fasen van evolutionaire ontwikkeling — dat ‘primitievere’ volkeren een minder ontwikkeld kijkvermorgen hadden. Maar verschillen in kleurwaarneming zijn “niet te wijten aan verschillen in de anatomische structuren van het menselijk oog”, schrijft Sassi, “maar wel aan het feit dat verschillende oculaire zones worden gestimuleerd, wat verschillende emotionele responsen teweegbrengt op basis van verschillende culturele contexten”.

Het bewijs van de oude Griekse literatuur en filosofie toont aan dat aangezien blauw geen onderdeel was van de door Homerus en zijn lezers gedeelde woordenschat (geel en groen vinden we evenmin ergens terug), het mogelijk evenmin tot hun zintuiglijke ervaring hoorde. De wereldwijde verspreiding van blauwe inkt is een relatief recent fenomeen dat alles te maken heeft met beschikbaarheid. “Als je erover nadenk”, schrijft Kevin Loraia van Business Insider, “komt blauw niet veel voor in de natuur — er zijn geen blauwe dieren, blauwe ogen zijn zeldzaam en blauwe bloemen worden vooral door de mens gemaakt”.

De kleur blauw ontstond in de moderne tijd met de ontwikkeling van stoffen die als blauw pigment konden dienen, zoals Pruisisch blauw, dat in Berlijn is uitgevonden, in China werd vervaardigd en in de 19de eeuw naar Japan werd geëxporteerd. “De enige oude cultuur die een woord voor blauw had, waren de Egyptenaren — en dat was ook de enige cultuur die blauwe verf kon ontwikkelen.” Kleur is niet alleen cultureel, maar ook technologisch. Maar mogelijk was het eerst een taalkundig fenomeen.

Hedendaags onderzoeker Jules Davidoff ontdekte dat dit waar was toen hij experimenten uitvoerde bij een Namibisch volk dat geen onderscheid maakte tussen blauw en groen (maar wel namen had voor veel meer tinten van groen dan in het Engels of Nederlands). “Davidoff zegt dat zonder een woord voor een kleur”, schrijft Loria, “zonder een manier om het als anders te identificeren, is het veel moeilijker voor ons om te merken wat er zo uniek aan is”. Tenzij we kleurenblind zijn, ‘zien’ we allemaal dezelfde dingen wanneer we naar de wereld kijken wegens de basisbiologie van menselijke ogen en hersenen. Maar of bepaalde kleuren verschijnen, heeft minder te maken met wat we zien dan met wat we al voorgekauwd zijn te verwachten.

(bron: openculture.com)

Wetenschappers vinden ‘missing link’ achter de eerste mensentalen

Uit een nieuw onderzoek blijkt voor het eerst dat mensen de bedoelde betekenissen van karakteristieke vocalisaties herkennen, ongeacht de taal die ze spreken. Karakteristieke vocalisaties zijn geluiden die mensen maken om specifieke voorwerpen, entiteiten en acties weer te geven. 

Deze vocalisaties, zoals de imitatie van snurken om slapen weer te geven, of brullen om het over een tijger te hebben, kunnen een cruciale rol hebben gespeeld in de ontwikkeling van de eerste mensentalen, menen de onderzoekers.

De bevinding steekt af tegen de eerdere veronderstelling dat fysieke gebaren en signalen aan de basis lagen van de ontwikkeling van de menselijke taal.

“Mensen over heel de wereld, ongeacht hun taalkundige of culturele achtergrond, waren bijzonder goed om de betekenissen van deze verschillende vocalisaties te raden”, zegt senior auteur Marcus Perlman, taalkundige aan de universiteit van Birmingham. “Dit kan grote gevolgen hebben voor de manier waarop de gesproken talen van de grond kwamen.”

Karakteristieke vocalisaties

In een online experiment stelden onderzoekers 843 deelnemers, die samen 25 verschillende talen spraken, bloot aan karakteristieke vocalisaties met 30 betekenissen die van groot belang geweest zouden zijn voor de overleving van de eerste mensen. De deelnemers moesten vervolgens het geluid verbinden met een van zes woorden, met inbegrip van de bedoelde betekenis.

De bedoelde betekenissen voor vocalisaties werden in zes hoofdcategorieën ingedeeld: levende wezens (kind, man, vrouw, tijger, slang, hert), levenloze zaken (mes, vuur, steen, water, vlees, fruit), handelingen (verzamelen, koken, zich verbergen, snijden, kloppen, jagen, eten, slapen), eigenschappen (stomp, scherp, groot, klein, goed, slecht), hoeveelheden (een, veel) en aanwijzingen (dit, dat).

Onderzoekers verkregen deze vocalisaties via een online wedstrijd waar mensen in ruil voor prijzen de basisgeluiden konden indienen die volgens hen het beste verschillende woorden voorstelden. Alle indieners spraken Engels.

In het experiment identificeerden mensen gemiddeld voor 64,6% correct de betekenis van deze vocalisaties. De meest herkenbare vocalisatie was die voor ‘slapen’, die door 98,6% van de mensen werd geïdentificeerd. De minst herkenbare was het aanwijzende ‘dat’, met een nauwkeurigheid van 34,5%, wat wel nog veel hoger is dan de 16,7% (een in zes) bij toeval. 

In het algemeen begrepen mensen de vocalisaties van handelingen en wezens beter dan die voor eigenschappen en aanwijzingen. “Deze herkenbare geluiden [handelingen en wezens] worden waarschijnlijk over de culturen heen aan deze betekenissen gekoppeld”, zei Perlman. “Bij de andere is er waarschijnlijk meer variëteit in wat dat geluid precies is.”

Van de 25 talen die de deelnemers spraken, konden sprekers van 20 talen de betekenis van elke vocalisatie correct raden, sprekers van vier van de talen deden dit voor alle vocalisaties op één na, en de sprekers van de resterende taal raadde op twee na alle vocalisaties juist. De taal waarvan de sprekers de laagste nauwkeurigheid haalden, was Thai met gemiddeld 52,1% en de best presterende taal was Engels met een gemiddelde nauwkeurigheid van 74,1%.

In een tweede, kleiner experiment met slechts 12 van de basisvocalisaties, toonden mensen die gesproken talen zonder formeel schrift gebruikten, zoals de inheemse Palikúr uit de Amazone, ook aan dat ze vocalisaties begrepen door na het beluisteren te wijzen naar afbeeldingen van de correcte betekenissen. Ze konden de betekenissen te weten komen zonder geschreven of gesproken vragen, wat veel beter was dan wat je op basis van toeval zou verwachten.

Volgens Perlman namen onderzoekers tot dusver aan dat mensentalen zich ontwikkelden door het gebruik van karakteristieke gebaren — zoals je arm wiegelen om de beweging van een slang na te doen — en andere fysieke signalen. Volgens deze theorie voegden de mensen na communicatie met gebaren geleidelijk aan gesproken woorden toe die deze fysieke signalen vervingen.

“Dat klinkt logisch”, zei Perlman. “Als je naar een land gaat waarvan je de taal niet spreekt, dan ga je intuïtief met gebaren communiceren wat je wilt uitdrukken.”

Maar ons vermogen om de betekenis van karakteristieke vocalisaties te interpreteren, suggereert dat mensen mogelijk geen fysieke gebaren nodig hebben om woorden aan te maken. In de plaats daarvan waren vocalisaties mogelijk de eerste bouwblokken van talen en werden fysieke gebaren later mogelijk aan individuele woorden toegevoegd.

Maar niet alle onderzoekers zijn het hiermee eens.

“Een overtuigender argument voor de rol van karakteristieke weergave in de taalevolutie komt van handmatige gebaren”, zegt Michael Corballis, een psycholoog gespecialiseerd in taalevolutie aan de universiteit van Auckland (Nieuw-Zeeland). “Gebarentalen hebben een meer voor de hand liggend karakteristiek element dan spraak. Niettemin is er steeds meer bewijs van een karakteristieke component in de menselijke spreektaal”, zegt Corballis.

In werkelijkheid zou de ontwikkeling van de eerste talen honderden of zelfs duizenden jaren gevergd moeten hebben, en waarschijnlijk heeft een combinatie van vocalisaties en gebaren een rol gespeeld. We hebben handen en een stem en met beide communiceren we al miljoenen jaren”, zegt Perlman. 

“Ik ben het ermee eens dat een multimodale oorsprong het meest geloofwaardig is”, zegt Michael Arbib, een taalexpert en computerneurowetenschapper aan de universiteit van South Carolina. “Bepaalde wezens verkiezen specifieke geluiden om betekenissen weer te geven, andere verkiezen gebaren.”

Maar net als bij het verhaal van de kip en het ei, is het moeilijk om te zeggen wat eerst kwam: vocalisaties of gebaren. 

“De volgende stap is kijken of mensen geluiden van mensen uit andere culturen en met andere talen dan het Engels kunnen begrijpen”, zegt Perlman. Daarna moeten toekomstige studies “complexere betekenissen en vocalisaties onderzoeken” om te zien hoe de eerste mensen op basis van deze geluiden de eerste talen ontwikkelden.

Volgens Arbib moeten toekomstige studies ook vocalisaties en gebaren vergelijken om te zien hoe ze het elk doen en welke woorden passen bij welk type communicatie. 

“Het is belangrijk om de oorsprong van de menselijke taal te begrijpen omdat taal een fundamenteel onderdeel is van wat het is mens te zijn”, zegt Perlman. “Het vertelt ons over onze geschiedenis, onze relatie met de wereld rondom ons en de essentie van wie we zijn.”

De studie werd op 12 mei online gepubliceerd in het magazine Scientific Reports.

(bron: Live Science)

Een nieuw debat over de geschiedenis van Afrikaanse talen

Het Zoeloe, Xhosa, Lingala… vandaag worden 550 Bantoetalen gesproken in het midden en zuiden van Afrika. Een derde van de Afrikanen spreekt er ten minste één. De Bantoetalen zijn dan ook de grootste taalfamilie van het continent.

Het Bantoe is afkomstig uit de grensstreek tussen Kameroen en Nigeria, en heeft zich in de loop der tijd in zuidelijke richting verspreid. Algemeen wordt aangenomen dat de huidige sprekers rechtstreeks afstammen van de mensen die ongeveer 4000 jaar geleden het tropisch woud van het Congobekken hebben gekoloniseerd. Maar een nieuwe studie in het kader van het Europese project BantuFirst onthult dat dit niet het geval is.

Niet-overeenstemmende archeologische sporen

Dit onderzoek stond onder leiding van de Universiteit Gent, in samenwerking met het Afrikamuseum, de ULB, de universiteit van Uppsala (Zweden) en de universiteit van Johannesburg (Zuid-Afrika). Daaruit blijkt onder meer dat de migratie van de Bantoebevolking naar het zuiden van het continent als een lange en aanhoudende gebeurtenis wordt beschouwd die meerdere duizenden jaren duurde. De huidige Bantoetalen zouden afkomstig zijn van de oude talen van deze eerste kolonisten. Maar daar is niet iedereen het over eens.

“Het is een discussie tussen archeologen en taalkundigen. Vanuit archeologisch standpunt klopt deze hypothese niet als je naar de materiële bronnen kijkt”, zegt archeoloog Dirck Seidensticker, onderzoeker aan de UGent en eerste auteur van de studie.

Er bestaat immers een ‘gat’ in de tijdlijn wat archeologische bewijzen betreft. “Er is een periode waaruit we nagenoeg geen sporen van menselijke activiteiten in het tropisch woud van Congo vinden. Dat wijst erop dat de Bantoegemeenschappen grotendeels uit de streek waren verdwenen”, stelt de tweede auteur, professor Wannes Hubau, paleobotanist en ecoloog van tropische wouden aan de UGent en in het Afrikamuseum.

Het BantuFirst-project wil dit idee testen en nagaan of de huidige verdeling van de Bantoetalen overeenstemt met de eerste uitbreidingen van deze taal in de prehistorie.

De sporen van de eerste kolonisten van het tropisch regenwoud

De onderzoekers hebben de demografische evolutie in het woud van het Congobekken onderzocht. Het bestudeerde gebied omvat 11 regio’s in Kameroen, Gabon, Equatoriaal Guinea, Congo-Brazzaville, Centraal-Afrikaanse Republiek, Congo en Angola.

Hiertoe hebben ze gegevens uit honderden wetenschappelijk studies verzameld. Er werden 1149 C14-dateringen van archeologische vondsten gebruikt. “We hebben in meerdere sectoren van het bestudeerde gebied de analyse zelfs herhaald”, preciseert professor Hubau.

Deze gegevensverzameling werd gecombineerd met de analyse van 115 stijlen van aardewerk uit 726 verschillende locaties. “Het aardewerk is het meest verspreide artefacttype in de archeologische onderzoeken en opgravingen in Centraal Afrika. Aardewerkfragmenten uit een of meerdere locaties werden ingedeeld naar hun stilistische kenmerken op basis van de vorm en de motieven van hun decoratie”, leggen de auteurs van de studie uit.

Deze archeologische gegevens werden bovendien vergeleken met genetische en taalkundige gegevens.

Gemeenschappen die verdwijnen sinds de 5de eeuw

“In het noordwesten van het Congobekken is er uit de periode tussen 400 en 600 na het begin van onze tijdrekening geen enkel aardewerk te vinden. Ofwel was het aardewerk ouder, ofwel jonger, en was er een grote verscheidenheid aan stijlen, vormen en zelfs fabricagetechnieken”, legt dr. Seidensticker uit.

Uiteindelijk wist de studie aan te tonen dat er twee periodes waren met grote menselijke activiteit in de regio (van circa 800 jaar vóór tot 400 jaar na het begin van onze tijdrekening, vervolgens van circa 1000 tot 1900 jaar na onze tijdrekening), gescheiden door een periode van ongeveer 200 jaar inactiviteit.

“Met deze studie beschikken we voor het eerst over sluitende bewijzen over een vermindering van de menselijke activiteit vanaf de 5de eeuw en dus over een ontvolking van de regio, die honderden jaren later gevolgd is door de hernieuwde vestiging van nieuwe koloniën”, meldt professor Hubau.

De verspreiding van de Bantoetalen was dus geen ononderbroken proces van Centraal-Afrika naar zuidelijk Afrika. “Het is duidelijk dat er meerdere migratiegolven zijn geweest. Verschillende taalkundige uitbreidingsfasen hebben elkaar dus opgevolgd”, vertelt professor Hubau nog. Dat betekent dat de huidige sprekers niet de rechtstreekse afstammelingen zijn van de eerste Bantoegemeenschappen.

Een pandemie als oorzaak van verval?

Waarom de inwoners van het tropisch woud van Congo tussen 400 en 600 verdwenen, blijft onzeker. Wetenschappers schuiven de hypothese naar voren dat deze massale ontvolking het gevolg van een lange pandemie kan zijn geweest.

Volgens professor Hubau “is het mogelijk dat een klimaatverandering een rol heeft gespeeld, want een vochtig klimaat kan de ontwikkeling van ziekten bij de gemeenschappen van het tropisch woud van Congo hebben bevorderd.”

“Er zijn evenwel andere onderzoeken nodig om deze hypothese te bevestigen”, besluit de onderzoeker.

(bron: Daily Science)

De letter ñ, in heel de wereld het teken van de Spaanse identiteit

De ñ ontstond in de middeleeuwen en is samen met de ç in Spanje gecreëerd. Toch komt ze pas sinds 1803 voor in het woordenboek van de Spaanse Academia Real.

Geen español zonder ñ. Het is de 15de letter in het Spaanse alfabet en komt voor in meer dan 15.700 woorden. De letter ñ verscheen pas in 1803 voor het eerst in het woordenboek van de Koninklijke Spaanse Academie (RAE), maar hij bestaat al sinds de middeleeuwen. Zo vinden we de ñ terug in een tekst uit 1176.

In het Latijn bestond de klank of de letter ñ niet, maar naarmate Latijn evolueerde en Romaanse talen als Spaans, Frans en Italiaans hun intrede deden, verscheen ook de palatale neusklank, die wordt uitgesproken met de achterkant van de tong tegen het gehemelte.

In de middeleeuwen waren monniken de wetenschappers van de samenleving en waren kloosters kenniscentra. De letter ñ zou daar zijn uitgevonden omdat er te weinig perkamentrollen waren, die toen heel duur waren, en om tijd te sparen. Blijkbaar waren de monniken, die in de kloosters als schrijvers werkten, ertoe gedwongen om enkele dubbele letters af te korten zodat er meer woorden op een lijn pasten.

Pas sinds 2 oktober 2007 kon de ñ evenals alle andere letters met tildes worden gebruikt in e-mailadressen en domeinnamen.

Volgens deze theorie werd de tweede herhaalde letter als een tilde weergegeven, wat in het Spaans een virgulilla werd genoemd, over de eerste letter. Met andere woorden, wat we als ñ kennen, is in feite een dubbele n, dus in plaats van donna schrijven we doña.

Er is nog een andere theorie over hoe de klank van de letter ontstond. Die zegt dat de letter ñ ontstond als een manier om de nieuwe palatale neusklanken weer te geven die in de negende eeuw verschenen – bijvoorbeeld de dubbele n in Latijnse woorden als annus (año of jaar). Deze woorden gaven de monniken meer werk en om tijd te sparen werden in diverse talen nieuwe manieren bedacht. De letter ñ werd gebruikt in het Spaans en het Galicisch (España), de combinatie nh in het Portugees (Espanha), gn in het Frans en Italiaans (Espagna), en ny in het Catalaans (Espanya).

Deze verschillende vormen werden tot de 13de eeuw door elkaar gebruikt, toen koning Alfons X van Castilië en León een spellingshervorming gelastte als onderdeel van zijn beleid voor een taalkundige vereniging. De monarch, die zijn reputatie als groot lezer, schrijver en intellectueel alle eer wilde aandoen, voerde de letter ñ in als de keuze boven bovenstaande combinaties. Daarmee stelde hij de eerste regels van de Spaanse taal op. Toen ñ op het hele Iberische schiereiland werd gebruikt, nam humanist Antonio de Nebrija in 1492 de letter op in het eerste Spaanse grammaticaboek.

Maar nog niet zo lang geleden liep de letter ñ het risico te verdwijnen, toch uit de geschreven taal. In de jaren 1990 stelde de Europese Economische Gemeenschap (EEG) voor om de letter ñ te verwijderen zodat toetsenborden eenvormiger zouden zijn. Ook op het internet was de letter buitenspel gezet. Pas op 2 oktober 2007 was de ñ, net als andere tildes, toegestaan in e-mailadressen en domeinnamen.

De letter komt zelfs steeds meer voor in het Engels en Nederlands, met woorden van Spaanse herkomst zoals jalapeño, piña colada en El Niño

Het voorstel van de EEG zorgde voor een hevig verzet ter verdediging van of ñ en het Spaans, de op één na meest gesproken taal op de wereld. Zelfs Nobelprijswinnaar Gabriel García Márquez verdedigde de letter. “Het is niet minder dan een schande dat de Europese Economische Gemeenschap Spanje durfde voor te stellen de letter ñ uit ons alfabet te halen, louter voor commercieel gemak”, schreef hij in 1991. “De auteurs van dergelijk misbruik en arrogantie moeten weten dat de ñ geen archeologisch overblijfsel is, maar het tegenovergestelde: een culturele sprong van een Romaanse taal die de andere talen achter zich liet door een klank met slechts één letter weer te geven waarvoor andere Romaanse talen er twee nodig hebben.”

De controverse eindigde op 23 april 1993, toen de Spaanse regering een koninklijk besluit aannam waarin de verplichting werd opgenomen om de letter ñ op toetsenborden te plaatsen.

De letter komt zelfs steeds meer voor in het Engels en Nederlands, met woorden van Spaanse herkomst zoals jalapeño, piña colada en El Niño. Tot aan het midden van de 20ste eeuw kwam de ñ meer voor in het geschreven Engels dan de dubbele n. Maar nu wordt de letter bijna altijd gerespecteerd en is er zelfs een vereniging, de Vereniging voor de Bevordering van Spaanse Letters in de Anglo-Amerikaanse wereld, die zich inspant om de ñ permanent in de Engelse taal te laten opnemen.

Maar we moeten opmerken dat de letter ñ en de klank niet exclusief Spaans zijn. Op het Iberisch schiereiland wordt hij gebruikt in het Galicisch en Asturiaans en in beperktere mate ook in het Baskisch. In Latijns-Amerika maken vele inheemse talen gebruik van de letter, zoals Mapuche in Chile en Argentinië, Zapoteeks in Mexico en Quechua in Ecuador. En ze komt ook voor in andere talen van culturen die in contact kwamen met het Spaans, waaronder Chabacano in de Filippijnen en Bube in Equatoriaal-Guinea.

(Bron: El País)

170 nieuwe woorden in de Petit Larousse illustré van 2022

Bernard Cerquiglini is professor in de taalkunde en wetenschappelijk raadgever van Le Petit Larousse. Hij ziet de verschijning van deze nieuwe woorden als een collectieve toe-eigening van de taal.

“Dit jaar halen we dankzij de pandemie 170 nieuwe woorden”, zegt Bernard Cerquiglini. Ik heb nog nooit zo’n taalkundige wijziging gezien.”

(meer…)

Chinese Don Quijote na 100 jaar in het Spaans vertaald

In het begin van de 20ste eeuw nam een eigenaardige en baanbrekende man het op zich om het eerste deel van Don Quijote in klassiek Chinees te vertalen.

Lin Shu - Wikipedia
Lin Shu

Deze man, Lin Shu, kende zelf nauwelijks Spaans of eender welke andere westerse taal. Hij werd geholpen door een vriend die al twee of drie Engelse vertalingen had gelezen en publiceerde in 1922 Het verhaal van de betoverde ridder.

(meer…)

Het zwaktebod van een eenvoudiger spelling

De voorbije dagen kon je niet om de ene foute taalstelling na de andere heen.

Het begon met de ietwat absurde stelling om de dt-regel af te schaffen. Er is helemaal geen dt-regel, er is wel een stam+t-regel.

Vervolgens beweerden diverse journalisten en kranten dat de Algemene Nederlandse Spraakkunst aan Nederlandse taalregels had zitten rommelen, wat compleet onwaar is. Alleen De Standaard plaatste een voorzichtige rechtzetting, de rest liet zijn blunder voor wat ze was. Tot zover journalistieke integriteit.

(meer…)