Het mysterie van het Indo-Europees

Geschiedkundigen zoeken een antwoord op de vraag naar de oorsprong van de gemeenschappelijke oorsprong van een groot deel van de talen op deze planeet.

1. Wie zijn de Indo-Europeanen?

De meeste talen die in Europa worden gesproken behoren tot de taalfamilie die we ‘Indo-Europees’ noemen. Die familie strekt zich uit tot in het noorden van India, Pakistan en Centraal-Azië. Toen de Europeanen de wereld koloniseerden, spreidden de Indo-Europese talen (vooral het Spaans, Portugees, Frans en Engels) zich uit tot Amerika, een groot deel van Afrika (meestal als voertaal) en Oceanië. Alle Indo-Europese talen hebben onderling veel meer gelijkaardigheden dan talen van andere taalfamilies, zoals de Semitische, Fins-Oegrische en Sino-Tibetaanse familie. Ze delen een reeks woorden en grammaticale structuren, zoals verbuigingen en vervoegingen.

2. Van waar komen ze?

Hoe kunnen we dit historisch fenomeen verklaren? Denken we even aan het geval van de Romaanse talen. Het Romeinse Rijk, met zijn politieke, culturele en taalkundige dominantie in het hele Middellandse Zeegebied, was in enkele regio’s de bron van de huidige Romaanse talen: Castiliaans, Portugees, Catalaans, Occitaans, Frans, Roemeens, Italiaans, Retoromaans enz. Is het mogelijk om via de geschiedenis en archeologie een soortgelijk fenomeen terug te vinden, met name een verovering vanuit een concrete regio in Eurazië? De drie oudste Indo-Europese talen die we kennen zijn het Myceens Grieks, het Hittitisch (in wat tegenwoordig Turkije is) en het Sanskriet in Noord-India. Deze drie talen werd gesproken, en mogelijk ook geschreven, in het midden van het tweede millennium voor onze tijdrekening en ze waren onderling heel erg verschillend. Daarom moet het originele Indo-Europese volk van veel vroeger dateren.

Om de vermeende wieg van onze talen te bepalen, wordt de methode ‘taalkundige paleontologie’ gebruikt. Die bestaat uit het zoeken naar woorden die in de meeste Indo-Europese talen voorkomen, die een concreet landschap, gewoonten, culturele kenmerken of technieken kunnen beschrijven. Maar deze methode is nooit heel doeltreffend geweest omdat de betekenis van woorden verandert en woordenschat voortdurend wordt vernieuwd. De onderzoekers die deze methode hebben gebruikt, plaatsten de oorspronkelijke plaats van de taal in zowat alle regio’s van Eurazië, van India tot de Baltische staten en van Turkije tot de noordpool.

3. Drie hoofdtheorieën

Vanaf het midden van de 19e eeuw werd steeds meer gebruik gemaakt van archeologie. Op dit ogenblik heeft de wetenschappelijke literatuur het over drie mogelijke herkomsten. De eerste is Scandinavië en het noorden van Duitsland. Deze theorie kreeg in de 20e eeuw de steun van de Duitse nationalistische archeoloog Gustaf Kossinna, die een inspiratie was voor het nazisme en het idee van een origineel en puur ‘ras’, gevormd door grote, blonde ariërs met blauwe ogen, die —volgens deze hypothese— startten met de verovering van Europa en Azië maar zich nadien ‘ontaardden’ door het contact met inheemse volkeren, zodat het nodig was om met alle middelen de zuiverheid te herstellen. We weten wat de verschrikkelijke gevolgen waren van die theorie. Dit is geen reden om de Indo-Europese studies in diskrediet te brengen, maar we moeten er ons bewust van zijn dat dit een van de mogelijke resultaten is. De theorie verdween niet met het nazisme, de huidige extreemrechtse bewegingen in Europa en de VS blijven haar verdedigen.

De tweede hypothese, die gedurende een tijd heel erg in zwang was, is die van de vestiging in Europa van volkeren uit het Nabije Oosten, die landbouw en veeteelt met zich meebrachten. Deze oude theorie kreeg een nieuwe boost dankzij de Engelse archeoloog Colin Renfrew. Die theorie stelt dat er vanaf 6500 jaar vóór onze tijdrekening een vreedzame en trage migratie ontstond, die de archeologie en genetica aantoont, en die van de Balkan tot de Atlantische Oceaan liep. Maar deze hypothese vertoont diverse gebreken, zoals het bestaan van niet-Indo-Europese talen in Europa, de oorlogszuchtige aard van de Indo-Europese mythologieën en de gelijkenissen tussen talen die niet op de as zuidoost-noordwest van deze kolonisatie liggen.

4. Archeologie en genetica

De derde hypothese is die van de massale migratie vanuit de steppen van Oekraïne en Rusland vanaf het vierde millennium voor onze tijdrekening. Ook dit is een oude hypothese die in de jaren zeventig opnieuw in de belangstelling kwam door de Amerikaanse archeologe Marija Gimbutas en later door archeologen als James Mallory, Kristian Kristiansen en David Anthony. Deze theorie omvat wél een oorlogszuchtige migratie, van volkeren met paard en kar voor huiselijk gebruik. In dit geval is het probleem dat het moeilijk was om deze migraties te volgen via de archeologie. Maar in 2015 zorgde genetische analyse ervoor dat deze theorie wat meer op de voorgrond kwam. Het blijkt dat vanaf 3000 voor onze tijdrekening een genetische erfenis werd verspreid, die voortkwam uit de steppen van het noorden van Europa en het zuiden van Azië. Er bestaan echter nog heel wat vragen. De genen van de steppevolkeren tonen dat ze een donkere huid en donker haar hadden, terwijl die in het noorden van Europa een lichte huid en blond haar hebben. En ook het aardewerk van het noorden van Europa verschilt van dat in de steppen.

Deze analyses, die heel duur zijn (ongeveer 60.000 euro om het genoom van een individu te verkrijgen), werden op slechts enkele honderden personen in heel Europa en een deel van Azië uitgevoerd. En naarmate er meer resultaten werden gepubliceerd, werd het tafereel steeds complexer. En het model dat als basis dient is uiterst betwistbaar. Er wordt immers van uitgegaan dat ‘genen’ en ‘cultuur’ hetzelfde zijn, net zoals de archeologie uit de 19e eeuw ‘ras’ en ‘cultuur’ vereenzelvigde op basis van het meten van schedels. Een recent voorbeeld bewijst het tegendeel. De neolithische cultuur strekte zich in het derde millennium voor onze tijdrekening uit vanaf het Iberische schiereiland tot Denemarken en vanaf de Britse eilanden tot Hongarije, met heel soortgelijke keramiek in die hele immense gebied. De meerderheid van de archeologen zijn het erover eens dat de oorsprong op het Iberisch schiereiland te vinden is. En nochtans zijn hun afstammelingen heel verschillend afhankelijk van de regio.

De conclusie is dat hoewel de gelijkenis tussen de Indo-Europese talen onbetwistbaar is, het heel waarschijnlijk is dat de zoektocht naar een uniek geschiedkundig fenomeen dat de oorsprong zou kunnen zijn in de vorm van een militaire verovering een hersenschim is. We moeten eerder denken dat deze proto-historische maatschappijen, die verspreid in kleine gemeenschappen van enkele honderden inwoners leefden, zich gedurende vele millennia mengden, hoewel er zeker ook brutale invasies waren. Anderzijds waren de meeste van de traditionele maatschappijen meertalig. En daarom is het onontbeerlijk dat taalkundigen, archeologen en biologen nauw samenwerken als we echt een antwoord op de vraag willen vinden.

(oorspronkelijk verschenen in El País)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s