Wanneer begonnen mensen te praten? Het is een van de hardnekkigste raadsels in de wetenschap. Nieuw onderzoek biedt nu een verrassend antwoord, niet via fossielen of gereedschappen, maar via ons DNA. De conclusie: het vermogen tot taal moet minstens 135.000 jaar geleden al aanwezig zijn geweest bij onze voorouders.
De logica achter de datering
De redenering is even elegant als dwingend. Genetisch onderzoek toont aan dat de eerste splitsing binnen de Homo sapiens-populatie ongeveer 135.000 jaar geleden plaatsvond. De nakomelingen van die splitsing, vandaag vertegenwoordigd door de Khoisan-volkeren in Zuid-Afrika, en alle andere menselijke populaties die volgden, beschikken allemaal over volwaardige taal.
Als taalvermogen pas later was ontstaan, zouden we ergens op aarde menselijke gemeenschappen moeten vinden die geen taal hebben, of die een fundamenteel ander communicatiesysteem gebruiken. Geen van beide is het geval. De ongeveer 7000 talen die vandaag worden gesproken, vertonen opvallende overeenkomsten in fonologie, syntaxis en semantiek.
Vijftien studies, één conclusie
Een internationaal onderzoeksteam analyseerde vijftien genetische studies, gepubliceerd tussen 2007 en 2023, die de splitsingstijd van de Khoisan-lijn onderzochten. De schattingen varieerden, maar de mediaan van de studies op basis van het volledige genoom kwam uit op 136.000 jaar, met een marge van 23.000 jaar.
De onderzoekers concluderen dat het redelijk is om aan te nemen dat de oorspronkelijke afsplitsing van de Khoisan-lijn ongeveer 135.000 jaar geleden plaatsvond. En dus moet het potentieel voor taal op dat moment al aanwezig zijn geweest.
Niet wanneer taal ontstond, maar wanneer het er al was
Belangrijk is wat het onderzoek níét zegt. Het vertelt ons niet precies wanneer taal is ontstaan, alleen dat het er 135.000 jaar geleden al moet zijn geweest. Homo sapiens ontstond als anatomisch herkenbare soort ongeveer 230.000 jaar geleden. Ergens in die tussenliggende periode ontwikkelde zich het taalvermogen.
Wat we wel kunnen doen, stellen de onderzoekers, is vooruitkijken en zien hoe taal mogelijk een directe rol speelde in het vormgeven van modern menselijk gedrag.
De kloof van 35.000 jaar
Hier wordt het interessant. Modern menselijk gedrag, zoals lichaamsversiering, het gebruik van pigmenten en het graveren van symbolische patronen, verschijnt pas rond 100.000 jaar geleden als wijdverbreid en genormaliseerd fenomeen. Denk aan de beroemde gegraveerde okerblokken uit de Blombos-grot in Zuid-Afrika, of de geometrische patronen op struisvogeleieren uit Diepkloof.
Dat levert een tijdskloof op van zo’n 35.000 jaar tussen het moment waarop taalvermogen aanwezig was (135.000 jaar geleden) en de opkomst van systematisch symbolisch gedrag (100.000 jaar geleden).
Taal als trigger
De onderzoekers stellen voor dat taal de katalysator was die al deze gedragingen organiseerde en systematiseerde. Als het meest complexe communicatiemiddel dat de natuur ooit heeft voortgebracht, had taal een enorme impact op alle facetten van het menselijk leven.
Met zijn complexe systeem van mentale representaties en regels om ze te combineren, stelde taal onze voorouders in staat om nieuwe verbanden te leggen tussen bestaande symbolen en nieuw gedrag te ontwikkelen. De tijdskloof tussen 135.000 en 100.000 jaar geleden zou dan de periode zijn waarin taal dit organiserend werk deed.
Twee visies op taalevolutie
In het debat over taalevolutie bestaan twee hoofdstromingen. De gradualistische visie ziet de moderne complexiteit van menselijke taal als het resultaat van een geleidelijk evolutionair proces. De saltatoire visie stelt dat de meeste componenten van ons huidige taalvermogen in een plotselinge, catastrofale gebeurtenis zijn samengekomen.
Dit onderzoek kan niet bepalen welke visie correct is. Wat het wel doet, is een harde ondergrens vaststellen: elk voorstel dat taalvermogen later dan 135.000 jaar geleden situeert, is volgens de onderzoekers hoogst onwaarschijnlijk.
Wat taal menselijk maakt
“Meer dan enig ander kenmerk definieert taal ons als mens”, schrijven de onderzoekers. En toch is er geen duidelijke consensus over wanneer dit cruciale vermogen in onze evolutie verscheen.
Door genetica en taalwetenschap te combineren, biedt dit onderzoek een nieuw perspectief. Niet een definitief antwoord op de vraag wanneer taal ontstond, maar wel een betrouwbare ondergrens, en een fascinerende hypothese over de rol die taal speelde in het maken van ons tot wie we zijn.
Bron: Miyagawa et al., “Linguistic capacity was present in the Homo sapiens population 135 thousand years ago”, Frontiers in Psychology (2025).